maandag, maart 27, 2017

Bijvriendelijk


Potplantenteler lanceert label ‘Bee friendly grown’
‘Voorzichtig met onze bijen, dat moeten 
we vertellen’

Niet alleen burgers maken zich zorgen om de bijenstand, telers denken daar net zo over. Tim Koene bijvoorbeeld wil alleen middelen toepassen die niet schadelijk zijn voor bestuivers. Dat doet hij met het label ‘Bee Friendly Grown’. Om deze boodschap duidelijk en krachtig over te brengen zoekt hij naar collega’s die daar net zo over denken.

Het is topdrukte bij Beauty Plants in Maasland. Terwijl vader Nol Koene in de auto met aanhanger het erf af rijdt heeft zoon Tim zijn mobieltje in de aanslag. De bestellingen rollen binnen. Op het 4,5 hectare grote bedrijf zijn vader en zoon actief in drie takken van sport. De hoofdteelt is de bloeiende heester Camellia, die verwant is aan de theeplant. Het tweede gewas is Anigozanthos, ofwel het kangoeroepootje. Deze plant wordt voornamelijk geteeld als snijbloem, maar de familie Koene teelt deze als potplant. Het derde gewas is de kuipplant Mandeville, waarvan de familie Koene de serie Sundaville teelt.
Het was niet vanzelfsprekend dat Tim in het bedrijf zou komen. Hij studeerde bouwkunde. Met name het creatieve, het ontwerpen sprak hem aan. Toch besloot hij drie jaar geleden om in de voetsporen van zijn vader te treden. Tot op heden bevalt hem dat goed. Vooral als hij de kans krijgt om nieuwe ideeën uit te werken.

Biologische bestrijding
Op het bedrijf gaat veel aandacht naar biologische bestrijding van ziekten en plagen. Dat is niet verwonderlijk, want Nol teelde jarenlang paprika’s en heeft veel ervaring opgedaan met geïntegreerde gewasbescherming. Hij schakelde tien jaar geleden over van groente naar potplanten. Voor hem was het dus logisch om die kennis toe te passen in zijn nieuwe teelt. Eigenlijk lukt dat bijzonder goed. Een groot deel van de chemische bestrijding kan achterwege blijven. De potplantentelers laten zich hierin begeleiden door Benfried.
De afzet van de potplanten vindt vooral binnen Europa plaats. Engeland, Duitsland en Frankrijk zijn belangrijk, net als Oostenrijk en Zwitserland. “Steeds vaker kregen wij signalen van handel en winkelketens uit die landen of we producten kunnen telen die bij-vriendelijk zijn geteeld”, vertelt Tim. “Daarom zijn we in overleg met onze adviseur gaan kijken welke middelen wij kunnen vermijden, waaronder de neonicotinoïden.”

Respect voor de natuur
De vraag van de afnemers was niet het enige motief om die weg te bewandelen. Het komt ook voort uit een gevoel om respectvol met de natuur om te gaan. “We kunnen niet zonder bestuivers, zoals bijen, daar moeten we voorzichtig mee omgaan.”
De zorg om de bijenstand en de mogelijkheden die er zijn om daar rekening mee te houden willen vader en zoon graag overbrengen op collega’s. “Als we dit alleen doen blijft het bij een klein initiatief dat nauwelijks zoden aan de dijk zet”, gaat hij door. “Wij willen dit laten uitgroeien.” Uiteraard voldoen de telers aan de eisen voor MPS, maar die gaan hen niet ver genoeg. Overstappen op volledig biologisch geteeld product (SKAL) is een stap te ver. Ze willen de mogelijkheid houden om te corrigeren als dat nodig is, maar dan wel met middelen die bestuivers niet schaden.

Boodschap vertellen
De potplantentelers willen hun inspanning ook delen met consumenten, zodat zij bewust kunnen kiezen voor bij-vriendelijk geteelde planten. “Ik kan natuurlijk wel voldoen aan de vraag van handel en afnemers, maar dan komt de boodschap niet verder dan deze marktpartijen. De consument kan dan nog geen bewuste keuze maken”, legt hij uit. “Pas dan kan er meer vraag ontstaan. Wij proberen met zorg om te gaan met de natuur. Die boodschap willen we overbrengen op iedereen die onze producten koopt.”
Voor Koene is de oplossing tamelijk eenvoudig: maak het duidelijk op de verpakking. Daarom heeft hij samen met ASQ, leverancier van zelfklevende etiketten, een sticker voor iedere pot ontwikkeld. Op deze sticker staat een bij, met de tekst ‘Bee Friendly Grown’. Het beeldmerk is inmiddels beschermd. Vanaf begin april krijgt iedere plant die het bedrijf verlaat een sticker mee. De volgende stap is om het beeldmerk te integreren in steeketiketten en hoezen.

Proces borgen
Het stickeren van het eindproduct is niet de enige actie die Koene doet. Hij zal moeten kunnen aantonen dat zijn planten schoon zijn. Daarom wil hij zijn producten regelmatig laten bemonsteren, zodat hij kan aantonen dat hij schoon werkt.
Dit borgen geldt voor het hele productieproces. Stekken van de kangoeroepootjes importeert hij bijvoorbeeld uit Zuid-Afrika. In de opkweekfase mogen bepaalde middelen dus niet worden gebruikt, omdat ze later altijd zijn te traceren. Regelmatig koopt hij nieuwe moerplanten aan om zelf stekken te nemen. Ook die planten moeten voldoen aan deze eisen.

Samen sterk
Het bedrijf wil het label delen met andere sierteeltbedrijven die grote stappen hebben gemaakt in geïntegreerde gewasbescherming en die kunnen aantonen dat zij alleen bij-vriendelijke middelen gebruiken. “Samen zijn we veel sterker en kunnen we een beweging in gang zetten. Zo wordt het label veel krachtiger en gaat het ook opvallen. Ik nodig daarom iedereen uit om mee te doen en dit idee verder uit te werken.”

De afnemers van de producten zijn al enthousiast over dit initiatief. De leverancier van de geïntegreerde bestrijding staat er eveneens volmondig achter. “We zien dat de sierteelt volop aan de slag gaat met geïntegreerd telen” vertelt Janette van de Werken van Benfried. Dagelijks krijgt zij vragen van telers die één of meer plagen op hun bedrijf willen gaan aanpakken met natuurlijke vijanden. “Wij vinden het een mooie ontwikkeling, die het verdient om uit te dragen naar consumenten. Dat kan prima met dit label.”


maandag, februari 13, 2017

Biobased Economy

Kenniscentrum Plantenstoffen maakt zich sterk voor inhoudsstoffen
‘Serieuze vergroening blijft niet lang meer uit ’


Gaan we weer natuurlijke indigo gebruiken als kleurstof van spijkerbroeken? Zal de grootste fabrikant van cola straks weer echte vanille gebruiken in plaats van synthetische smaakmakers? Veel consumenten kiezen bewust voor producten op natuurlijke basis. De glastuinbouw kan goed op deze trend inspelen door zich te specialiseren in de teelt van bijzondere grondstoffen. We staan aan de vooravond van een bijzondere transitie, voorspelt Jan Smits.

Vanille is één van de duurste specerijen ter wereld. De prijs van de gedroogde, gefermenteerde peulen van de vanilleplant varieert van 25 tot 500 dollar per kilo op de wereldmarkt en stabiliseerde de laatste jaren rond de 100 dollar per kilo. Het is een gecompliceerde markt, die wordt beïnvloed door aanbod van synthetische vanille en sterk schommelend areaal. Stijgt de prijs, dan wordt er meer aangeplant. De boeren op Madagaskar, die ongeveer twee derde van de wereldproductie voor hun rekening nemen, worden er niet rijk van. Bovendien schommelt de kwaliteit van het eindproduct in kwaliteit, mede omdat de verwerking van het eindproduct zeer specialistisch werk is en afhangt van de grilligheid van de natuur.
Stel dat je vanille in kassen zou kunnen telen, onder geconditioneerde omstandigheden. En stel dat je ook het drogen en fermenteren nog beter onder de knie zou krijgen. Hier ligt een uitdaging. Geen Nederwiet, maar NederVanille. Teler Joris Elsgeest in Nieuwe Wetering droomt samen met andere telers al van een aromatische toekomst. Een consortium van telers en universiteiten onderzoekt de kansen voor de vanilleteelt onder glas en probeert afnemers te vinden voor het eindproduct. Elsgeest hoopt dat NederVanille kan uitgroeien tot een echt kwaliteitsproduct en dat producenten van frisdranken in de toekomst stoppen met het gebruik van synthetische smaakstoffen.

Vergroening
Planten met bijzondere inhoudsstoffen staan erg in de belangstelling. Trendwatchers voorspellen dat technisch hoogwaardige kassen de apotheek voor de toekomst zijn. Vanille is een voorbeeld van een aromatisch gewas, maar de aandacht gaat ook uit naar bronnen voor groene gewasbeschermingsmiddelen, verfstoffen, cosmetica en medicijnen.
Het Kenniscentrum Plantenstoffen helpt telers en andere bedrijven met het benutten van deze duurzame nieuwe grondstoffen. Jan Smits is projectmanager en nauw betrokken bij Biobased Economy(BBE), waarbij biomassa grondstof is voor niet-voedsel toepassingen. Een voorbeeld daarvan zijn de vezels in tomatenplanten, die geschikt zijn voor de verpakkingsindustrie.
Tomaten bevatten echter niet alleen vezels, maar tal van stoffen die geschikt zijn voor andere toepassingen. Kennis daarover is volop in ontwikkeling bij universiteiten en onderzoekscentra. Onderzoeksbedrijf Fytagoras in Leiden onderzoekt bijvoorbeeld componenten in het plantensap van tomatenstengels die mogelijk geschikt zijn als actieve component voor groene gewasbeschermingsmiddelen. Planten leveren dus niet alleen goede voedingsmiddelen en sierwaarde, ze zijn zoveel meer waard dan dat.

Hoge concentratie
Obesitas is een serieus en groeiend probleem binnen onze samenleving. De zoektocht naar stoffen die supplementen of medicijnen opleveren die obesitas kunnen voorkomen of bestrijden is volop gaande. Een gewas dat volop in de belangstelling staat is Dioscorea oppositifolia, ofwel Chinese Yam. Yam wordt al vele honderden jaren geteeld als voedingsmiddel, maar heeft ook een lange traditie op gebied van medicinale werking. Stoffen uit deze wortel zouden de vetopslag in het lichaam tegengaan, maar ook hiervoor geldt dat het onderzoek er nog volop mee aan de slag moet.
Potplantenbedrijf Pothos Plant in Monster experimenteert al met de teelt van dit gewas. Het bedrijf probeert de teelt dusdanig uit te voeren dat de concentratie van nuttige stoffen zo hoog mogelijk wordt. Deze intensieve manier van telen is kostbaar, maar naar verwachting zal het ook een schone en waardevolle stof opleveren. Peter Olsthoorn van Pothos Plant verwacht dat consumenten behoefte hebben aan natuurlijke stoffen en dat daarvoor een markt is.

Screening sierteeltgewassen
Niet alleen de Yam is interessant. Binnen de sierteelt loop een project dat zich richt op de screening van  een breed spectrum sierteeltgewassen op hun gewas beschermende werking, gefinancierd vanuit oude PT(Productschap Tuinbouw) gelden, de Topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en Royal FloraHolland. Na een literatuurstudie, in opdracht van het Kenniscentrum Plantenstoffen, is een kleine selectie van commercieel geteelde sierteeltgewassen -ongeveer twintig plantengeslachten- gemaakt om verder te onderzoeken. Dit jaar test Wageningen UR Glastuinbouw extracten daarvan op hun effecten in verschillende toetsgewassen. Aandacht ligt op bestrijding van schimmels als meeldauw en Botrytis en plagen als trips, bladluizen en spint.
Het voordeel van beschermde teelt is dat je een streng teeltprotocol kunt aanhouden, waardoor ook zuivere extracten ontstaan zonder sporen van gewasbeschermingsmiddelen. Dat het hier om duurzame toepassingen gaat staat vast. Smits: “De gewasbeschermingsindustrie is serieus bezig met ‘vergroening’ van middelen en de voedingsmiddelenindustrie zoekt ook naar natuurlijke bronnen. Het is een beweging in onze maatschappij die zich doorzet naar innovatie.”
Het Kenniscentrum Plantenstoffen is twee jaar geleden begonnen met de aanleg van een extractenbibliotheek. Deze zal eind 2015 toegankelijk zijn voor afnemers. Het centrum wil door middel van deze bibliotheek Nederlandse tuinders als volwaardig leverancier koppelen aan producenten van farmaceutica, agrochemie, kleur, geur- en smaakstoffen, cosmetica, voedingssupplementen en veevoederadditieven. Deze database bevat ongeveer 1.300 verschillende soorten die in Nederland commercieel worden geteeld, waarvan de verschillende plantendelen in totaal  ongeveer 2.240 ruwe en 2.200 opgeschoonde extracten opleveren.

Kleurstoffen
Veel aandacht gaat al uit naar de teelt van algen onder glas, mits het soorten zijn die commercieel aantrekkelijk zijn. Een voorbeeld daarvan zijn algen die de gewilde rode pigmentstof astaxanthine aanmaken. Deze stof kan kleurstoffen in voeding vervangen en is bovendien een krachtige antioxidant. Een consortium van telers, toeleveranciers en onderzoek richt zich op de teelt van deze algen in reactoren (buizen) bij Wageningen UR Glastuinbouw.
Dit toegepaste onderzoek richt zich allang niet meer op de vraag of deze stof een bepaalde werking heeft, maar op een goed teeltrecept. Verschillende telers hebben al proeven op hun bedrijf aangelegd en samen optimaliseren zij de teelt.

Hoog op agenda
 ‘New business’ met plantenstoffen staat hoog op de kennis- en innovatieagenda van de zes Greenports. Binnen de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen krijgt Biobased Economy, waar dit onderwerp onder valt, steeds meer aandacht. Smits: “ Dit is bij uitstek een cross sectoraal onderwerp, omdat er zoveel verbindingen liggen naar voedingsindustrie, cosmetica, groene gewasbescherming en chemie. Met dit programma kan de tuinbouw excelleren. In kassen kun je de klimaatomstandigheden zo creëren dat je het maximale uit planten kunt halen. In combinatie met een sterke veredelingssector heeft de Nederlandse tuinbouw een goede uitgangspositie.” 

Smits kijkt met open vizier naar de toekomst. “Over tien jaar worden cross sectorale business cases voor het winnen van waardevolle stoffen gewoon uitgevoerd. Dan zal de tuinbouw heel gericht planten telen, waarbij telers, extractiebedrijven en industrie elkaar zullen versterken.”

LED

LED’s combineren met duurzame cherrytomatenteelt
Dit jaar veel aandacht voor verzamelen en bestuderen van data

Op zoek naar ‘De duurzame smaaktomaat’ is de titel die de jongste proef met LED’s bij het Delphy Improvement Centre heeft meegekregen. Na de rassen Komeett en Merlice is het nu de beurt aan Juanita om deel te nemen aan dit experiment. De relatie plantgewicht, gemiddeld vruchtgewicht en smaak krijgt veel aandacht. Een jaar van meten en wegen.



woensdag, januari 18, 2017

Winter

Rijp


Ben ik even blij dat ik vorige week het gras nog niet heb gemaaid. Zo'n uitzicht vanaf mijn werkplek is toch onbetaalbaar. 








donderdag, januari 12, 2017

Tuinbouw Ondernemersprijs 2017

Op 11 januari 2017 viel JUBHolland uit Noordwijkerhout in de prijzen. Dit familiebedrijf won de Tuinbouw Ondernemersprijs 2017. En wel in het hart van de bollenstreek: De Keukenhof. 
JUB Holland gaat zorgzaam om 
met milieu en kwaliteit


Hoe maak je het onderscheid in de bollensector waar de concurrentie groot is? Dat kan alleen door het heel erg goed te doen, betrouwbaar te zijn en door zorg te dragen voor de leefomgeving. JUB Holland is al meer dan honderd jaar actief en heeft een goede naam in de sector. Jaap-Jan Uittenbogaard geeft een impressie van het familiebedrijf, maar is vooral bescheiden over de positie die het inneemt.

In de tuinen van Paleis Het Loo, Villa Eikenhorst en Paleis Huis ten Bosch bloeien ieder jaar bolbloemen van JUB Holland (Jac. Uittenbogaard & Zonen). Al ruim veertig jaar levert het bloembollenbedrijf uit Noordwijkerhout tulpen, narcissen en andere bloembollen aan de koninklijke familie.
“Sinds ons honderdjarige bestaan, zes jaar geleden, mogen we ons als enige bloembollenbedrijf Hofleverancier noemen”, vertelt Jaap-Jan Uittenbogaard die het woord voert namens zijn familie. Hij is trots op dit predicaat. “Je hoeft hiervoor niet noodzakelijkerwijs aan het Koninklijk Huis te leveren, maar we zijn zeer vereerd dat wij dit wel mogen doen. Het wil toch zeggen dat onze naam bekend is bij de Koninklijke Familie.

’We zijn trots op het predicaat Hofleverancier’


Koningin Juliana maakte destijds lijstjes en was erg betrokken bij de inrichting van de tuin. We vinden het geweldig dat Koningin Máxima ook zoveel interesse toont.”

Lange geschiedenis
Jaap-Jan is alweer de vierde generatie die in het familiebedrijf werkzaam is. Bollen zijn altijd in zijn leven geweest. Als jonge knul hielp hij al op de kwekerij en in de handel bij zijn vader Jaap. Ziekzoeken, bollen pellen, hij heeft het allemaal gedaan, zoals alle kinderen in de bollenstreek. Na zijn studie logistiek ging hij aan de slag in het bedrijf. Vandaag de dag is hij verantwoordelijk voor retail.
De driekoppige directie bestaat uit Jaap-Jan, zijn broer Robbert en achterneef Frank. Achterneef Dolph zal daar binnenkort nog bij komen als financiële man. Robbert is verantwoordelijk voor landscape en Frank voor broeierij, kwekerij en veredeling.
Het bedrijf heeft een lange geschiedenis in de bollenwereld, waarbij al in de tweede generatie een splitsing heeft plaatsgevonden tussen kwekerij, broeierij en handel. Het is uniek dat deze drie takken nog steeds vertegenwoordigd zijn. De familie is altijd samen blijven optrekken onder één vlag.
De lange familiestamboom en het werkterrein zijn zeer breed. Zo exporteert het handelsbedrijf bollen naar meer dan 35 landen in het midden- en hogere marktsegment in heel Europa. De kwekerij is gespecialiseerd in een groot assortiment tulpen en narcissen en heeft een omvang van 31 ha, verdeeld over meerdere plaatsen in Nederland. De broeierij produceert vier miljoen tulpen per jaar.

Eigen concepten
In de presentatieruimte van het bedrijf hangt een kleurrijke verzameling producten en er staan displays met kleinverpakkingen. JUB Holland was destijds het eerste handelsbedrijf dat bollen op kleur aanbood. Die trend is doorgezet, want in ieder tuincentrum vind je tegenwoordig bollen die netjes op kleur zijn gerangschikt.
Daarnaast ontwikkelt het bedrijf samen met een trendwatcher eigen concepten voor de retailmarkt. Een nieuw concept dat daarbij opvalt is ‘Natural Bulbs’, een verpakte serie biologische bollen die Skal gecertificeerd is. “Dat is nu nog een klein segment”, weet Jaap-Jan, “maar er is zeker belangstelling voor dit type bollen.”
“Ons handelsbedrijf bedient een breed spectrum klanten”, legt hij uit. We leveren producten voor postorderbedrijven en retail, maar ook bollen voor de professionele broeierij.”
Bijzonder is de handel in bollen voor landscape. Dit zijn bijvoorbeeld samengestelde bloembollenmengsels of losse bollen. Om daarbij een extra dienst te verlenen ontwikkelde JUB Holland in de jaren negentig van de vorige eeuw een speciale plantmachine voor het planten onder gras. Die plantmethode heeft ervoor gezorgd dat het bedrijf nu een belangrijke speler is in de markt voor landscape.


Nieuwe rassen
Ook het verhaal van de kwekerij en de broeierij is bijzonder. JUB Holland veredelde al twintig jaar lang hobbymatig tulpen. In 1996 besloot het om dat professioneel aan te pakken en richtte samen met zeven collega bloembollenkwekers en exporteurs en Hobaho veredelingsbedrijf Remarkable op. Jaap-Jan: “Veredelen is een langdurig proces. We zien nu dat de eerste commerciële rassen uit het veredelingsprogramma beschikbaar komen. We moeten nog stappen maken in resistenties tegen ziekten en plagen.”
Deze nieuwe rassen vinden hun weg via de kwekerij naar de eigen broeierij. “De kwekerij staat dus in dienst van de andere bedrijfstakken. De bollen gaan ook naar de handel, maar voorzien vooral in een hoogwaardig assortiment voor onze eigen broeierij.” Ook hier geldt dat het bedrijf hoge kwaliteit en toegevoegde waarde wil leveren, om daarmee weg te blijven uit de concurrentieslag om de laagste prijs.
In 2011 is de broeierij lid geworden van PolderPride, een samenwerkingsverband van vijf ervaren tulpenbroeiers uit de Beemster die uitsluitend A1 kwaliteit tulpen op de markt brengen. De afzet van deze bloemen vindt voornamelijk plaats via veiling Royal FloraHolland.

Milieukeur bollen
Milieu is een belangrijk thema in de bloembollensector. JUB Holland is nauw betrokken geraakt bij de ontwikkeling van Milieukeur voor bloembollen, omdat het zoekt naar manieren om duurzaam te produceren. Rudolph Uittenbogaard (derde generatie) heeft daarin een voortrekkersrol vervuld en actief deelgenomen aan de begeleidingscommissie van overheid, bedrijfsleven, onderzoek en maatschappelijke organisaties.
Milieukeur staat voor gegarandeerde duurzame kwaliteit met respect voor mens, natuur en milieu. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is daarbij nog strenger aan banden gelegd dan de wettelijk toegestane normen.

’We zien graag dat alle bollentelers duurzaam ondernemen’


Dat het de familie Uittenbogaard in de genen zit om zorg te dragen voor het milieu mag inmiddels wel duidelijk zijn. Als eerste bedrijf in de bollensector maakte het een speciale bijen- en vlindermengsel. Dit heeft JUB Holland ontwikkeld in samenwerking met de Nederlandse Bijenhouders Vereniging(NVB). Het bedrijf doneert een deel van de opbrengst om onder andere nieuwe bijenkasten te plaatsen.

Schoon en veilig werken
Op bedrijfsniveau spant JUB Holland zich in om zo min mogelijk milieubelasting te veroorzaken. Dat komt terug in alle bedrijfsprocessen, niet in de laatste plaats om een veilige, gezonde omgeving te bieden aan alle medewerkers.
Het bedrijf zet de 100% groene energie zo efficiënt mogelijk in. De warmte die vrij komt bij het koelproces in de cellen wordt weer gebruikt voor de bewaarcellen en bedrijfsruimte. Isolatie van de gebouwen en schermdoek in de kassen moeten deze warmte ook binnen houden.
Het scheiden van afval, het composteren van restmaterialen, over alle processen is goed nagedacht. Rondom het bedrijf is groen aangeplant, zijn een natuurvriendelijke slootkant en een aarden wal aangelegd.

Aandacht voor omgeving
Ondanks de indrukwekkende lijst activiteiten die JUB Holland heeft ondernomen om het bollenvak een beter imago te bezorgen, lijkt dit niet de drijfveer van deze familie te zijn. Het zit in hun aard om aandacht te besteden aan hun omgeving. Jaap-Jan: “We vinden het gewoon belangrijk. Binnen onze sector is de concurrentie groot en we willen ons daarin onderscheiden. Het proces van duurzaam ondernemen is in gang gezet en we zouden heel graag zien dat alle bollentelers daarin meegaan.”
Aanmelden voor de Tuinbouw Ondernemersprijs zou nooit in hem opgekomen zijn. Het is dat anderen hem daarop attent maakten dat het toch eens tijd is om trots te zijn. Dat siert hem.

Oordeel van de jury

De jury vindt JUB Holland een voorbeeld voor de bloembollensector. Het bedrijf maakt een stabiele indruk, vanwege de lange familietraditie, maar ook door het brede scala aan activiteiten in de keten. Door volharding van vele generaties heeft het een eigen positie verworven op de internationale markt.
JUB Holland valt op vanwege de sterke visie en maatschappelijke betrokkenheid door bloembollen een plaats te geven in de samenleving. De ondernemers zoeken daarbij op een innovatieve manier de samenwerking met gemeentes en organisaties. Bollen als ondersteuning van de biodiversiteit is daarbij een belangrijk speerpunt.
Het bedrijf neemt een voortrekkersrol op zich om de bloembollensector een stap verder te brengen. Een voorbeeld daarvan is de nauwe betrokkenheid bij de ontwikkeling van Milieukeur.

Magazine TOP Tuinbouw, december 2016

maandag, januari 09, 2017

Bedrijfsovername

Prof.dr. Pursey Heugens, Rotterdam School of 
Management Erasmus University


‘Snoeien doet groeien, geldt voor 
overname familiebedrijf’

Noem het een zaagtandeffect. Bij familiebedrijven gebeurt de overdracht van de ene op de andere leidinggevende veel minder frequent en meer schoksgewijs dan in andere takken van het bedrijfsleven, waar CEO’s en bestuurders regelmatig wisselen. Tel daarbij op dat de aftredende generatie soms lastig de touwtjes uit handen geeft en zich ertoe moet zetten om de nieuwe generatie vrijheid te geven. Zo’n situatie ondermijnt de ontwikkeling van een gezond bedrijf en maakt het kwetsbaar.

Familiebedrijven lopen bij de overdracht bovengemiddeld grote risico’s ten opzichte van bedrijven waar familiebanden niet spelen. Slechts 30% van de familiebedrijven overleeft de eerste generatiewisseling. Na de tweede wisseling is dat nog maar 13% en na de derde nog maar 3%. Deze keiharde feiten liegen er niet om. Ze zijn aanleiding tot een gesprek met Pursey Heugens, die met helikopterblik het Nederlandse en internationale bedrijfsleven bekijkt.
Zijn kantoor is maar een steenworp verwijderd van Westland en Oostland. Hij kent de tuinbouw goed. “Hier komen veel eerste generatie studenten, afkomstig van tuinbouwbedrijven” vertelt hij. Hij ziet echter niet veel verschillen in structuur tussen familiebedrijven in de tuinbouw en familiebedrijven in andere sectoren van het bedrijfsleven.
Heugens deed onderzoek naar strategieverandering na generatiewisseling in familiebedrijven. “We verzamelden data van grote, deels beursgenoteerde familiebedrijven, maar die komen in alle sectoren voor”, meent hij. De conclusies van dit onderzoek gelden volgens hem net zo goed voor de land- en tuinbouw.

Zware last
Heugens schetst de activiteiten van familiebedrijven en hun voortgang in de tijd. “De eerste generatie bouwt vanuit het niets een onderneming op en is daar succesvol in. Het vraagt lef en doorzettingsvermogen om daarin te slagen. De tweede generatie krijgt een zware last te dragen. Kinderen schrikken daarvan en reageren daarop met behoudzuchtig gedrag. Zij kiezen om allerlei redenen voor het rentmeesterschap, omdat ze die druk aanvoelen.”

’Begin vroegtijdig met een open 

gesprek in familieverband’


Aangezien de kinderen vaak een goede opleiding hebben genoten, omdat er meer financiële middelen waren, mag je veronderstellen dat ze nog beter onderlegd zijn dan hun ouders. Maar dat wil nog niet zeggen dat ze dezelfde capaciteiten bezitten én lef en doorzettingsvermogen vertonen. Wel hebben ze vaak in tegenstelling tot hun ouders van kinds af aan meegedraaid in het bedrijf.
Het blijft een gevoelig punt, legt Heugens uit. Een taboe om over dit soort zaken te spreken ziet hij niet. “Die fase is de algemene economie allang voorbij. Of dat ook geldt voor tuinbouwbedrijven kan hij bevestigen noch ontkennen.

Tien jaar
“Voor een bedrijfsoverdracht moet je zeker een periode van tien jaar inbouwen”, adviseert Heugens, die aangeeft dat de werkelijke overdracht in de praktijk meestal rond de leeftijd van 55 tot 65 jaar plaatsvindt. Lang daarvoor moet je hierover al gaan nadenken. “Het is een menselijke karaktertrek dat het moeilijk is om te aanvaarden dat er een einde komt aan je actieve rol in het bedrijf en daarom gebeurt dit vaak veel te laat. Begin met een open gesprek in familieverband en definieer die fase breed.”
Als de kinderen nog geen interesse vertonen of eenvoudigweg nog te jong zijn om en leidinggevende functie te vervullen, dan kun je ook externen aantrekken die een leidinggevende rol kunnen vervullen. Er zijn vele vormen om door te gaan, bijvoorbeeld in een samenwerkingsverband. Het bedrijf verkopen is eveneens een reële optie.

Loslaten
Families breiden uit en worden steeds groter. Door vererving krijgen steeds meer familieleden, die verder niet of niet meer actief zijn, toch een aandeel en daarmee zeggenschap in een bedrijf. De volgende generatie moet dan dividend uitkeren. Dit trekt financieel een zware wissel op een gezond bedrijf.

’Kies eenmalig voor de pijn, 

in plaats van chronische bloedarmoede’


Inplaats daarvan moet een bedrijf voor een goede ontwikkeling investeren in R&D. De bedrijfsleiding kiest echter vaker voor de relatieve zekerheid van rendement ten koste van risicodragende investeringen. Heugens is daar zeer duidelijk over: “Bedrijven moeten door ontwikkelen om competitief te zijn. Hoewel het lastig is kun je het beste de aandeelhouders zo snel mogelijk uitkopen. Kies eenmalig voor de pijn, in plaats van chronische bloedarmoede.”
Bijkomend probleem is dat de vorige generatie door allerlei constructies nog macht of zeggenschap wil houden en niet kan loslaten. Dit gebrek aan vertrouwen in de nieuwe generatie is niet gezond voor de onderneming. Heugens: “Als je geen vertrouwen kan geven aan je kinderen, kies dan voor een outsider en maak de nieuwe generatie niet afhankelijk van jou. Laat het los. ‘Pruning the familytree’, ofwel snoeien doet groeien.”


Nieuw bloed, nieuwe koers
Pursey Heugens is hoogleraar aan de Rotterdam School of Management Erasmus University. Hij is gastspreker tijdens de uitreiking van de Tuinbouw Ondernemersprijs 2017, waar het thema ‘familiebedrijven’ centraal staat. Onder zijn leiding is de onafhankelijke studie ‘Nieuw bloed, nieuwe koers’uitgevoerd, in samenwerking met Rabobank en BDO Accountants&Adviseurs. De uitkomst daarvan is in april 2016 gepresenteerd.
             Het onderzoek naar strategieverandering na generatiewisseling op familiebedrijven is gebaseerd op twee internationale kwantitatieve studies van de ECFB(Erasmus Centre of Family Business). De eerste studie heeft betrekking op beursgenoteerde familiebedrijven in de VS, de tweede op familiebedrijven in private handen in Australië, Canada, China, Finland, Italië, Noorwegen en de VS